Samenvatting:
Tot zijn ongenoegen krijgt een oude Chinese keizer een blinde zoon. Hij legt hem te vondeling en de jongen groeit op tussen bosgoden en dieren, die hem leren de prachtigste verhalen te vertellen en de mooiste muziek te maken. Wanneer deze 'Blinde Minstreel' volwassen is, trekt hij de wereld in en heeft hij fijne en minder prettige contacten. Uiteindelijk komt hij weer bij zijn vader terug. Vanwege zijn uitzonderlijke talenten en zijn verstand wordt hij toch diens troonopvolger.

De blinde minstreel

Heel lang geleden leefde er eens een keizer die maar geen kinderen kon krijgen. Toen hij echter heel oud was, kreeg hij toch nog een zoon. Maar helaas, men moest spoedig bemerken dat het knaapje blind was.
De keizer was hierdoor z teleurgesteld dat hij bevel gaf het kind in de uitgestrekte bossen achter te laten ten prooi aan de wilde dieren. Maar de dieren hadden medelijden met het hulpeloze knaapje en zij deden het geen kwaad. Een tijgerin zoogde hem, een vos kleedde hem met boomschors en de vogels leerden hem zingen. Wanneer het knaapje huilde, kwamen de bosgoden naar hem toe en vertelden allerlei verhalen.
Zo groeide hij op tot een verstandige en flinke jongen die wonderlijke verhalen kon vertellen en z goed kon zingen dat het voor de dieren een plezier was om naar hem te luisteren.
Toen de prins zeven jaar was, daalde er uit de hemel een Pi-Pa neer, gemaakt van de fijnste jade. Een bosfee leerde hem hoe hij op dit instrument moest spelen, en spoedig was de prins er zo bedreven in dat al de dieren van het woud zich voor zijn voeten neervlijden om van zijn spel te genieten. Na enige tijd voelde hij zich volwassen genoeg om de wereld in te trekken. Hij nam afscheid van zijn viervoetige en gevleugelde vrienden en vertrok met zijn Pi-Pa op zijn rug.
Op zijn tocht ontmoette hij jagers en herders, boeren en dorpelingen, en zong voor hen de liederen die hij kende. Overal waar hij kwam, werd hij als een vriend ontvangen en kreeg hij voedsel en onderdak. Omdat niemand zijn naam kende, of wist waar hij vandaan kwam, noemde men hem overal 'de Blinde Minstreel'.
Op een keer ontmoette hij een rijke veehouder, die zo verrukt over zijn spel en zang was, dat hij hem niet meer wilde laten vertrekken. Na veel bidden en smeken, stemde de minstreel er eindelijk in toe om een jaar bij hem te blijven.
De veehouder had vele vrienden. Op een dag kwam er een oude vriend van hem, een paardenfokker, op bezoek. De gast was zo onder de indruk van het buitengewone talent van de minstreel dat hij hem aanbood in vaste dienst bij hem te komen. Maar daar was de veehouder heftig op tegen, omdat hij meende de oudste rechten te hebben. Er ontstond eerst een woordentwist en tenslotte gingen zij elkaar te lijf. De veehouder liet het hier niet bij zitten en legde de zaak aan de keizer voor. De paardenfokker klaagde zijn gewezen vriend aan wegens belediging en lichamelijk letsel.
De adviseurs van de keizer bogen zich over het geval, maar zij hadden er een harde dobber aan. Zij vergaderden drie dagen en nachten, wikten de zaak van alle kanten, maar zij konden er niet uit komen. Toen besloot de keizer om de minstreel te ontbieden en hem zelf te ondervragen. "Wat heb je daar bij je?" vroeg hij. "Dat is een Pi-Pa, Majesteit, mij door de goden geschonken." - "Kun je er werkelijk zo goed op spelen?"
De minstreel begon te spelen en te zingen en de keizer was er z verrukt over dat hij de tijd helemaal vergat. Zulke muziek had hij nog nooit gehoord, ook niet van zijn beste hofmuzikanten. De jongeman zong het ene lied na het andere en ter afwisseling vertelde hij verhalen die niemand kende. Drie dagen en nachten ging de minstreel door met zijn verhalen en zijn liederen, en al die tijd bleef de keizer geboeid op zijn zetel zitten. Ook de keizerin, de raadsheren, de hofbeambten en bedienden luisterden ademloos toe en verroerden zich niet.
Toen de derde nacht ten einde liep, zei de keizer: "Je kunt geloof ik wel eeuwig doorgaan, maar nu is het genoeg. Er moet een oplossing gevonden worden voor de zaak die aanhangig gemaakt is. Vertel mij eens iets over jezelf, misschien kan dit enige klaarheid brengen." De zanger vertelde dat hij niet wist wie zijn ouders waren. Hij vertelde over de dieren in het grote woud die hem hadden gevoed en verzorgd, en over de bosgeesten die hem allerlei verhalen hadden geleerd, en over de fee die hem het spel op de Pi-Pa had bijgebracht. Plotseling werd zijn verhaal onderbroken door de keizerin die uitriep: "Dat kan alleen maar onze enige zoon zijn!" Zij kon haar tranen niet langer bedwingen, stond op en sloot de jongeman in haar armen.
De keizer liet zijn ontroering niet zo duidelijk merken, maar men verwachtte toch een uitspraak van hem, en daarom sprak hij: "De veehouder en de paardenfokker kunnen geen van tween recht op deze jongeman doen gelden, want het is mijn eigen en enige zoon. Ondanks zijn blindheid is hij de verstandigste man die ik ooit ontmoet heb. Daarom is hij de aangewezen persoon om mij op te volgen, nu ik te oud en te zwak ben om nog langer te regeren."

Iedereen was verheugd toen men dit hoorde en als uit n mond werd er geroepen: "Lang leve de Blinde Minstreel! Lang leve de nieuwe keizer!" En zo gebeurde alles als het door de goden was voorbeschikt. De nieuwe keizer liet de verhalen en liederen die hij kende door zijn schrijvers optekenen en daardoor werden zij voor het nageslacht, en ook voor ons, bewaard.
Natuurlijk zijn deze verhalen in de loop der tijden heel wat veranderd. Maar nog steeds fluistert de Blinde Minstreel iemand, die er gevoelig voor is, een nieuw verhaal in het oor. Daardoor komt het dat er nog altijd nieuwe sprookjes in China ontstaan.

Pi-Pa = muziekinstrument

Print