Samenvatting:
Een provincie van China wordt geteisterd door een reusachtige slang, die om de acht maanden een meisje van dertien jaar als offer wil. Een dappere vrouw verslaat echter het monster en trouwt met de koning.

Li Ji

In Minzhong in Dongye ligt het Yonggebergte, dat zich tientallen mijlen verheft. In het moerasgebied in het noordwesten daarvan leefde een grote slang die zeven of acht roeden lang was en enkele ellen dik. In de wijde omgeving werd hij gevreesd. Vele commandanten van Dongye en magistraten van de daaronder vallende steden waren tegen dit monster gesneuveld. Men offerde hem sindsdien buffels en geiten en bleef zo voor rampen gespaard. Maar van tijd tot tijd verscheen hij aan iemand in een droom, of hij nam bezit van een sjamaan met de boodschap dat hij als maal een twaalf of dertienjarige maagd eiste. De commandant en de magistraten wisten niet wat te doen, maar toen het monster tekeer bleef gaan, begonnen ze slavinnetjes en dochters van misdadigers te kopen die ze voedden en in leven hielden om er telkens een op de eerste ochtend van de achtste maand te offeren. Ze brachten haar dan naar het hol van de slang, de slang kwam naar buiten en verzwolg haar. Zo ging het jaren achtereen en ze hadden al negen meisjes verbruikt.
Op een moment werden er weer meisjes te koop gevraagd, maar zonder resultaat. Een zekere Li Dan uit het district Jiangle had zes dochters en geen zoons. Zijn jongste dochter heette Ji en zij wilde zich laten verkopen. Haar ouders wezen dat voorstel af maar Ji zei: "Vader en moeder, jullie zijn zo ongelukkig geweest om alleen maar zes dochters te krijgen en geen enkele zoon, dat is dus net zoveel als niets! Ik heb geen gelegenheid gehad om jullie het leven te redden. Ik ben niet in staat om in jullie levensonderhoud te voorzien en ik kost jullie alleen maar geld voor kleding en voedsel. Het heeft geen enkel nut dat ik in leven blijf, dus kan ik maar het beste zo spoedig mogelijk sterven. Maar als jullie mij verkopen krijgen jullie nog wat geld voor jullie levensonderhoud, dat is toch prachtig?" Haar ouders hielden van haar en bleven dus weigeren haar te laten gaan. Daarop ging Ji eigener beweging in het geheim, ze konden haar niet tegenhouden.

Ji zorgde dat ze een goed zwaard kreeg en een hond die was afgericht op het vangen van slangen. Op de eerste ochtend van de achtste maand ging ze onverwijld naar de tempel, waar ze plaatsnam met het zwaard in de hand en de hond bij zich. Van tevoren had ze een paar tonnetjes rijstekoeken met honing overgoten en voor het hol van de slang neergezet. De slang kwam meteen naar buiten. Zijn kop was zo groot als een graanmijt en zijn ogen leken spiegels van twee voet doorsnee. Toen hij de geur van de koeken rook, viel hij op de tonnetjes aan en verslond ze in een oogwenk. Op dat moment liet Ji de hond los, die grommend en grauwend op het monster afsprong. Nu kon Ji de slang van achteren besluipen en ze slaagde erin hem met haar zwaard zo te verwonden, dat het monster kronkelend van pijn naar buiten kwam om bij het bereiken van de binnenplaats van de tempel te sterven.
Ji ging zijn hol in om het te doorzoeken en vond er de schedels van de negen meisjes. Ze droeg ze naar buiten en sprak ontdaan: "Jullie waren laf en zwak, zodat jullie opgegeten werden door de slang! Hoe meelijwekkend!" Daarop wandelde het meisje Ji op haar gemak terug naar huis. Toen de koning van Yue hiervan hoorde, maakte hij Ji zijn koningin, hij benoemde haar vader tot magistraat van Jiangle en haar moeder en zusters werden met geschenken overladen. Zo was Dongye voorgoed van monsters bevrijd. Het lied over haar daden wordt nog steeds gezongen.

Print