PLANTEN EN DIEREN

Planten
China heeft een zeer gevarieerde vegetatie met ca. 32.000 hogere plantensoorten. De eeuwenlange ontbossing heeft echter diepe sporen nagelaten in het landschap en de natuur heeft daardoor vreselijk te lijden gehad onder de onvermijdelijke erosie.
De uitbreiding van de cultuurgrond heeft vooral geleid tot een bijna totale verwoesting van de vele bossen die China ooit had. Bossen worden nu eigenlijk alleen nog maar aangetroffen in het hooggebergte. Deze bevatten zo’n 2000 boomsoorten.
In de tropische gebieden groeien veel kokospalmen en bananenbomen, in de subtropische gebieden veel vijgenbomen, in de gematigde gebieden vind men loofwouden en in de koude gebieden naaldwouden.
Zuidoost-China is van oorsprong bedekt met een subtropisch regenwoud, aangevuld met tropische, pacifische en Himalaya-elementen. Het bos is rijk aan bamboe, maar in de bergen komt bamboe nog slechts sporadisch voor; hier vindt men vooral coniferen, soorten van de laurier- en de theefamilie, eiken en magnolia's.
De grootste subtropische bossen ter wereld, met meer dan 10.000 boomsoorten, bevinden zich in de provincie Sichuan. Oost-China kent moessonwouden.

Midden-China kende vroeger een gematigd, zeer soortenrijk regenwoud. Dat regenwoud is nu teruggedrongen tot tempelhoven en gebergten, het rijkst op nevelhellingen, met onder andere paardenkastanjes, esdoorns, kers, kornoelje en coniferen. Hier werd het merkwaardige 'levend fossiel' Metasequoia ontdekt, en ook de cathayaboom in het grensgebied van Sichuan en Guangxi behoort Het levende fossiel 'Ginkgo Bilobatot deze categorie.
Een ander, al veel langer bekend levend fossiel, Ginkgo biloba, is als cultuurplant behouden gebleven. De ginkgo is verwant aan de naaldboom, maar heeft in plaats van naalden, bladeren. Tot ruim 10.000 jaar geleden kwamen ze op het hele noordelijke halfrond voor, maar nu bijna alleen nog in China. De oudste ginkgo is ca. 3000 jaar oud.

Verder naar het noorden strekt zich het onmetelijke, bijna geheel in cultuur gebrachte lösslandschap uit, dat oorspronkelijk een gematigd loofverliezend loofwoud droeg. Resten daarvan zijn alleen in de bergen nog aan te treffen; deze zeer soortenrijke vegetatie bevat behalve vele soorten coniferen, veel soorten esdoorns, berken, paardenkastanjes, elzen, eiken, linden en walnoten. Karakteristieke Chinese bomen en struiken als Paulownia, Gleditschia en Rododendron komen hier ook nog veelvuldig voor.

Naar het noorden en noordwesten (Mantsjoerije, Gobi) liggen steppen en woestijnen met een karige begroeiing van onder andere alsemsoorten en het voor kameelvoer gebruikte Kalidium gracile.
Naaldbosgebieden liggen vooral in de Grote Hinggan-bergen in Noord-China, met larikssoorten en altijd groene naaldsoorten als spar en pijnboom.

Het zuidwestelijke hooggebergte behoort tot de rijkste floragebieden ter aarde. Van laag naar hoog onderscheidt men hier eerst het subtropische savannebos tot 1800 meter (soms 2800); de onderste montane zone (tot 2900 meter) met dennenbossen en gemengde dennen-loofbossen (met eiken en kastanjes), altijdgroen-bos, doornstruweel, lauriereikenbos en steppe; de bovenste montane zone (in het zuiden tot 4350 meter, in het noorden tot 3700 meter) met naaldbossen, Rododendronstruwelen en hoog opschietende graslanden, en ten slotte de zeer soortenrijke alpine zone, bijv. in Yunnan en Sichuan, waar dwergstruiken tot 4730 meter hoog voorkomen en waar bijvoorbeeld het geslacht Rododendron 600 soorten, sleutelbloem 300 soorten en kartelblad 210 soorten rijk is.
In het uiterste westen van Mongolië en in Xinjiang Uighur vindt men een woestijnachtige vegetatie met doornige heesters en grassen. De belangrijkste planten zijn de tamarisk en de saxaul.
In het heuvelige landschap groeien vruchten als kiwi’s, mango’s, bananen, en papaja’s. In de bossen zijn kostbare houtsoorten te vinden als mahonie, teak, kamfer en sandelhout.

Dieren
De Chinese fauna omvat zowel Aziatisch-tropische als Eurosiberische elementen, en is zeer gevarieerd. Op Chinees grondgebied leven ca. 420 soorten zoogdieren, 1200 soorten vogels, 200 soorten amfibieën en meer dan 300 soorten reptielen.
Overbevolking en landbouw hebben de dierenwereld sterk teruggedrongen, een proces dat al vele eeuwen lang aan de gang is. In de dichtbevolkte laaglanden komen nog maar weinig wilde dieren voor; zelfs vogels zijn over het algemeen zeer schaars geworden.
In de bergen en in de dunner bevolkte gebieden treft men nog de resten van een eens zeer rijke fauna aan; zo schat men het aantal Indische olifanten in China nog slechts op ongeveer 100.
Wat grote zoogdieren betreft zijn de beroemde reuzenpanda of bamboebeer uit de westelijke provincie Sichuan, het Pater David-hert, de geweiloze waterree, een merkwaardige zoetwaterdolfijn (Lipotes vexillifer) van het Dongtingmeer en omgeving, en enkele merkwaardige apensoorten van het geslacht Rhinopithecus de opmerkelijkste. Ook de lepelsteur van de Yangzi Jiang en de Chinese/Japanse reuzensalamander zijn het speciaal vermelden waard. Beschermde diersoorten zijn de Chinese kraanvogel en de Yangzi-alligator. Van de drie tijgersoorten, de Bengaalse, de Zuid-Chinese en de Mantsjoerijse of Siberische, zijn nog maar enkele honderden exemplaren over.
Op hoge plaatsen in het zuidwesten leven noordelijke soorten als marmotten, terwijl op lagere plaatsen zuidelijke soorten overheersen, zoals de grote Indiase civet en de goudharige aap. Op het eiland Hainan ligt het Apeneiland, een reservaat voor ca. 1000 Guangxi-apen.
In het noorden lijkt de fauna weer meer op die van Noord-Azië met op de grenzen o.a. het przewalskipaard, de wilde kameel en de Siberische tijger, die beide zeer zeldzaam zijn. Uniek voor dit gebied zijn ook de bruine oorfazant en de Reeves-fazant, die een staart van ca. twee meter lengte heeft. Ook leven hier sabelmarters en sikaherten, die elders in China al praktisch uitgestorven zijn. Ten noorden van Harbin ligt een moerassig natuurreservaat, waar zeldzame Japanse kraanvogels en witnekkraanvogels broeden.
In de woestijnen van Binnen-Mongolië en Xinjiang wonen vooral knaagdieren en hoefdieren, waaronder de saiga-antiloop.  In de tropische streek Xishuangbanna, gelegen in de zuidwestelijke provincie Yunnan, leven veel dieren die elders in China uitgestorven zijn, zoals Aziatische olifanten, neushoorns, tijgers, pythons, Maleise honingberen, luipaarden, groene pauwen en andere zeldzame vogels, waaronder de neushoornvogel. In de bomen van de tropische wouden leven onder andere boomspitsmuizen en gibbons.

China telt ca. 300 nationale parken en natuurreservaten en verder nog vele provinciale en lokale beschermde gebieden.
Het Wolong-natuurreservaat (Wolong Ziran Baohuqu) speelt een belangrijke rol in het beschermen van de reuzenpanda, waarvan er nog ongeveer 200 in dit reservaat leven. Andere bedreigde diersoorten in Wolong zijn de sneeuwpanter, de stompneusaap, het muskushert en de rode langoer.
Het Zhalong-natuurreservaat (Zhalong Ziran Boahuqu) is een eldorado voor vogelaars, en was het eerste Chinese natuurreservaat. Hier leven permanent of tijdelijk 180 vogelsoorten, waaronder acht van de vijftien kraanvogelsoorten in de wereld, waarvan er zes op de lijst van bedreigde diersoorten staan. Van de Chinese kraanvogel leven nog maar ca. 500 exemplaren in het reservaat.
In het Vogeleilandreservaat in de provincie Qinghai strijken elk jaar ca. 100.000 trekvogels neer, waaronder ganzen, kraanvogels, gieren en de Mongoolse leeuwerik. Het in buurt liggende Longbao-reservaat speelt een belangrijke rol in het behoud van de zwarthalskraanvogel.
Het Changbaishan-natuurreservaat in de provincie Jilin bij de Noord-Koreaanse grens ligt nog ca. 200.000 ha oerbos met onder andere de ruwe berk, de Koreaanse den en de drakenspar.
Bij Nanning, langs de Vietnamese grens, ligt het Longrui-natuurreservaat (Longrui Ziran Baohuqu), dat de woonplaats is van de enige populatie ter wereld van de witkoplangoer. Ook de zeer zeldzame goudkleurige camelia groeit in dit gebied.
Tibet is het land van de yak, een rundersoort dat goed is aangepast aan grote hoogte en bittere kou.

BIJZONDERE DIEREN

REUZENPANDA
De reuzenpanda is een van de meest bedreigde zoogdieren op aarde. Men denkt dat er nog ongeveer 1000-1200 exemplaren in leven zijn, en dat is eigenlijk te De Grote Pandaweinig om de soort op den duur te laten voortbestaan.
De reuzenpanda leeft vooral in de provincie Sichuan, maar ook in Gansu en Shaanxi, en dan eigenlijk alleen nog maar in natuurreservaten.
De eerste levend reuzenpanda werd pas in 1896 ontdekt. Het dier leeft bij voorkeur op een hoogte van 2000-3000 meter en eet een speciale bamboesoort.

PATER DAVID-HERT
Het bHet Pater David hertijzondere Pater David-hert werd in 1865 ontdekt door de Franse priester-zoöloog Père Armand David. Het dier leefde toen alleen nog in de keizerlijke jachtparken. Rond 1900 was de soort in China zelfs uitgestorven, alleen in het Engelse Woburn Abbey was een kudde gefokt. In 1985 werden er 20 exemplaren aan China aangeboden en uitgezet bij Chengdu.

TIJGERS
Net als in veel andere landen is de tijger in China in het wild bijna uitgestorven. Chinese tijgers probeert men zoveel mogelijk naar natuurreservaten en dierenparken te lokken, om ze zo voor uitsterven te behoeden.
De enige inheemse tijger van China is de Chinese of Amoytijger. Men vermoedt dat er nog ongeveer 30 in het wild leven en ongeveer 50 in gevangenschap. Deze soort zou nog voorkomen in de provincies Hunan, Fujian, Guangdong en Jiangxi.
De grootste tijger van de wereld is de Siberische tijger. Deze soort komt in China, maar  ook nog in Rusland en Noord-Korea voor. In het wild leven nog ongeveer 500 exemplaren en in dierenparken en reservaten nog zo’n 1000 stuks.
De Bengaalse of Indo-Chinese tijger is in China bijna uitgestorven en leeft alleen nog in reservaten in Xishuangbanna in de provincie Yunnan. In Vietnam, Myanmar (Birma), Laos en Thailand leven nog ca. 1500 exemplaren. 

Bronnen:
China
Cambium, 1998

China
Informatie Verre Reizen, 2001


Harper, D. / China
Kosmos-Z&K, 2002

Jansen,I. / China
Gottmer/Becht, 2000


Knowles, C. / China
Van Reemst, 2002

MacDonald, G. / China
Kosmos-Z&K, 1998

Eijck, F.
Reishandboek China
Elmar, 1996

Floor, H. / China
Stichting Teleac, 1988

Print

Download alle hoofdstukken in één PDF file