ECONOMIE

Inleiding

China is altijd een arm land geweest. Het inkomen per hoofd van de bevolking werd in 1952 op $57 geschat en voor 1997 werd het nationaal product per hoofd op $620 geschat. De individuele consumptiestijging is tot voor kort zeer beperkt gebleven. Wel zijn met een belangrijk deel van de besparingen de collectieve voorzieningen (onderwijs, gezondheidszorg, huisvesting, enz.) gefinancierd.
China is nog steeds een overwegend agrarisch land; naar schatting (2014) werkt ca. 35% van de beroepsbevolking in de landbouw en ca. 29% in industrie, en ca 36% in de dienstverlening. De huisnijverheid is nog steeds hoog ontwikkeld en een kleine industrie, met eenvoudige middelen bedreven, behoren tot het traditionele systeem. In de 19de eeuw werd er voorzichtig begonnen met modernisering. In kuststeden als Shanghai, Tianjin, Hankou en Kanton werd door westerse en Japanse ondernemers een lichte industrie opgebouwd. In Mantsjoerije werd door Japan, op grond van daar gevonden kolen en ijzererts, een zware industrie gesticht, die nu nog steeds de ruggengraat van de moderne Chinese economie uitmaakt. Deze nieuwe activiteiten beroerden echter slechts kleine gebieden, omdat men in het westen dacht dat China over te weinig natuurlijke hulpbronnen beschikt die voor de wereldeconomie van belang was.
De buitenlandse handel was zeer bescheiden en de uitvoer bestond voornamelijk uit agrarische producten en wat metalen. Van 1949 tot 1952 had de wederopbouw plaats van het productieapparaat, dat in de oorlog tegen Japan (1937-1945) en daarna in de burgeroorlog zwaar had geleden. Het bestrijden van de inflatie was zeer succesvol in deze periode.
In 1953 ging het eerste vijfjarenplan van start, met de nadruk op de ontwikkeling van de zware industrie. Volgens de officiŽle opgaven groeide de economie in de periode 1953-1957 met ca. 8,3% per jaar. Voor de volgende vijfjarenplannen (zes tussen 1958 en 1990) zijn slechts vage bijzonderheden over de doelstellingen verschaft, waarbij wel duidelijk is dat de sectoren landbouw en industrie als zwaartepunten werden beschouwd, het zogenaamde 'lopen op twee benen'. Het Grote Sprong Voorwaarts-programma (1958-1960), waarin geprobeerd werd de groei van de moderne en traditionele sectoren te versnellen, mislukte totaal misoogsten en de stopzetting van de hulp van de Sovjet-Unie in 1960.
Ook de Culturele Revolutie (1966-1969), waarbij getracht werd de door Mao gepreekte permanente revolutie te zuiveren van 'kapitalistische' en 'revisionistische' smetten, had een negatieve invloed op de economische ontwikkeling, o.a. als gevolg van de ontwrichting van het vervoer en de doorbetaling van lonen en premies, terwijl er in de bedrijven vaak alleen maar politieke discussies werden gevoerd en het werk stillag.
Sinds de dood van Mao in september 1976 wordt naar politieke stabiliteit gestreefd en wordt een pragmatische economische politiek gevolgd. Conjuncturele oververhitting en structuurproblemen van een economisch systeem in overgang karakteriseren de recente ontwikkelingen.
Sinds 1990 wordt de economie in een snel tempo - vooral in de kustprovincies - geliberaliseerd en geprivatiseerd. De hoge economische groei liep als gevolg van de Aziatische crisis terug tot naar schatting 6,5%.
De Chinese economie werd in 2003 hard geraakt door de uitbraak van de gevaarlijke longziekte SARS. De economische groei in het tweede kwartaal van 2003 bedroeg 6,7%, het laagste groeitempo sinds 1992. SARS had vooral invloed op de dienstensector en het passagiersvervoer, dat zowel over land als via de lucht drastisch afnam. De economie van China is de laatste tijd indrukwekkend gegroeid. Het inkomen per hoofd van de bevolking is in 2014 gestegen tot $ 9.800 per hoofd van de bevolking. De economische groei bedraagt de laatste 10 jaar rond de 10 % per jaar.

China: regionale productie

BEIJING:
chemicaliŽn, autoís, machines, metallurgie, textiel en elektronica.

BINNEN MONGOLIň:
veeteelt, bosbouw, akkerbouw, voedselverwerking, raffinage van grondstoffen, diverse lichte industrieŽn.

HEILONGJIANG:
olie, steenkool, staal, zware machines, papier, voedingsmiddelen, farmacie.

LIAONING:
petrochemie, metallurgie, machines, elektronica, schepen, bouwmaterialen, luchtvaart.

JILIN:
landbouw, autoís, chemie, ijzer, staal, non-ferro, olie, voedingsmiddelen.

HEBEI:
graan, katoen, glas, textiel, machines.

TIANJIN:
petrochemie, autoís, auto-onderdelen, metallurgie, elektronica, staal.

SHANDONG:
staal, steenkool, petrochemie, bouwmaterialen, consumentenelektronica, textiel, graan, rijst, maÔs, visserij.

JIANGSU:
machines, textiel, elektronische componenten, eindproducten en metaalhalffabrikaten, voedselverwerking, petrochemie, elektronica.

SHANHAI:
financieel- en dienstencentrum, autoís, petrochemie, elektronica, ijzer, staal, zware machines, elektrische apparaten.

ZHEJIANG:
havens, schoenen, kleding, plastic speelgoed, kleine huishoudelijke artikelen, chemie, telecommunicatieapparatuur, machines, citrusvruchten, zijderupsen, thee.

FUJIAN:
havens, voedselverwerking, textiel, elektronische halffabrikaten, petrochemie, autoís, bouwmaterialen, elektronica, landbouwproducten.

GUANGDONG:
assemblage, elektronica, speelgoed, kleding.

HAINAN:
koffie, thee, rubber, kokosnoten, suikerriet, peper, metaalbewerking, petrochemie, farmacie, chemie, voedselverwerking, elektronica.

GUANGXI:
fruit, suikerriet, bananen, non-ferro-producten, bouwmaterialen, textiel, kolen, ijzer, staal.

GUIZHOU:
landbouw, tabak, kolen, diverse mineralen.

JIANGXI:
hout, bamboe, textiel, papier, chemie, elektronica.

YUNNAN:
landbouw, tabak, suiker, koffie, koper, zinksmelterijen.

SICHUAN:
energie, metaal, mijnbouw, chemie, machines, luchtvaart, ruimtevaart, elektronica, graan, varkens, natuurlijke olie, medicinale kruiden, raapzaad, katoen, suiker, thee, sinaasappelen, natuurlijke zijde, houtolie, ijzer, staal, machines, elektrische machines.

CHONGQING:
machines, chemie, metallurgie, textiel, elektriciteit, elektronica,

SHAANXI:

machines, textiel, vliegtuigen, elektronica, militaire producten.

SHANXI:
kolen, ijzer, cokes, chemie.

HENAN:
graan, katoen, tabak, goud, kolen.

HUNAN:
rijst, antimonium, wolfram, fluoride, loos, zink, grafiet, kwik, machines, landbouwvoertuigen, locomotieven, zware gereedschappen, kunstmest, cement.

HUBEI:
staal, autoís, mechanica, bouwmaterialen, chemicaliŽn, textiel.

TIBET:
veeteelt, toerisme.

QINGHAI:
petrochemie, chemie, textiel, metaalbewerking, leer, machines.

XINGJIANG:
katoen, olie, aardgas.

NINGXIA:
steenkool, graan, olie.

GANSU:
nikkel, platina, olie, steenkool.

Landbouw
Chinese Boer

De landbouw vervult nog steeds een zeer belangrijke rol in China, hoewel maar 10% van Chinaís oppervlakte geschikt is voor landbouwdoeleinden. Naast het kleine landbouwareaal kent de landbouwsector nog vele problemen: de landbouwgrond per bedrijf is eigenlijk veel te klein (gemiddeld 0,1 ha), er heerst een hoge werkloosheid, er zijn onvoldoende opslag- en distributiefaciliteiten, landbouwgrond wordt verloren aan urbanisatie en woestijnvorming, er is waterschaarste en gebrek aan onderzoek. Ten slotte wordt de Chinese landbouw regelmatig geteisterd door natuurgeweld. Veel geld wordt gestoken in een biotechnologieprogramma voor de ontwikkeling van landbouwproducten met een hogere opbrengst of die veel beter bestand zijn tegen ziekten. Tevens hoopt men hierdoor zelfvoorzienend te blijven in de landbouwproductie. Er worden ook weer pogingen ondernomen om te komen tot een hernieuwde collectivisering om de schaalvergroting van de boerenbedrijven te realiseren.
Eind 1956 werkte nog meer dan 90% van de boeren in collectieve bedrijven. Op dit moment zijn er meer dan 2000 staatsboerderijen met een gemiddelde oppervlakte van 2300 ha.
De werknemers op deze bedrijven weten een 30% hoger inkomen te realiseren vergeleken met hun collegaís van de familiebedrijfjes.
China heeft drie belangrijke landbouwgebieden:
-het gebied ten zuiden van de Yangtze, waar overvloedige regen valt en twee keer per jaar rijst geoogst kan worden. Verder wordt hier tarwe, jute, suikerriet en subtropische producten verbouwd.
-het gebied tussen de Yangtze en de Gele Rivier (Huang-He) waar ook twee keer per jaar rijst en tarwe geoogst kan worden.
-het gebied in het noorden, waar door het drogere klimaat maar ťťn tarweoogst per jaar mogelijk is.

Van de voedselgranen is rijst het belangrijkst, gevolgd door tarwe, maÔs en andere granen (kanliang, een soort sorghum, gierst en gerst) en knolvruchten. Hoewel China nog steeds graan invoert, is de import sinds de landbouwhervormingen sterk gereduceerd.
Vanaf het begin van de jaren tachtig wordt de katoensector speciaal gestimuleerd, onder andere door ook hier prijshervormingen door te voeren en meer vrijheid toe te staan in de planning van de oogst. Het gevolg is een toename geweest van 22% in het katoenareaal en een productieverhoging van 72%. Katoen is het voornaamste handelsgewas en grondstof voor de exporterende industrie en wordt zowel in Zuid- als in Noord-China geteeld. Naast katoen is ook de productie van agrarische industriŽle gewassen, zoals sojabonen, suiker, aardnoten, raapzaad en sesam, aanzienlijk gestegen, hoewel ook van deze producten vaak nog grote hoeveelheden worden geÔmporteerd.
Tot China's cultuurgewassen behoren verder: thee (met name uit het zuidoosten), tabak (Midden-China en het zuiden), moerbeien, sinaasappelen, kamfer en gember (uit het zuiden). Verder is sterke nadruk gelegd op diversificatie in de agrarische sector, door zich ook met name op bosbouw en veehouderij te richten.

Veehouderij, bosbouw en visserij
Veeteelt

Door de grote aandacht voor de akkerbouw is de ontwikkeling van de veehouderij achtergebleven. Toch neemt het belang van de veehouderij steeds verder toe. Van het landbouwgebied is 55% grasland, en sinds 1979 groeit de veehouderij sneller dan de akkerbouw. Koeien, paarden, buffels en yaks worden voornamelijk geweid op de enorme grassteppen die zich uitstrekken van de noordoostelijke vlakte via Binnen-MongoliŽ tot het westen en zuidwesten.
De in geheel China meest voorkomende vorm van veehouderij is de fokkerij van kleinvee, met name varkens (China heeft de grootste varkensstapel ter wereld).
Tussen 1949 en 1994 zou de veestapel ongeveer zijn vervijfvoudigd (van 160 miljoen naar 778 miljoen stuks vee), terwijl in het laatstgenoemde jaar 1,3 miljard stuks pluimvee werden gehouden, vrijwel uitsluitend op de eigen grond van de boeren. Het meeste vee in China doet dienst als last- en trekdier, want de meeste Chinezen eten vrijwel geen zuivelproducten.

De belangrijkste bosgebieden van China liggen in het noordoosten, en tungolie en teakhout zijn de voornaamste producten. Door vele eeuwen roofbouw en illegale houtkap is grote schade toegebracht aan het bosbestand. Sinds 1949 is ca. 86 miljoen ha land herbebost. Slechts een derde hiervan heeft het echter overleefd. Het totaal beboste areaal bedraagt 128 miljoen ha (13,4% van China).
De overheid, die eindelijk inzag wat voor geweldige schade de erosie aan het land toebracht, heeft zich ten doel gesteld in het jaar 2000 de bosoppervlakte vergroot te hebben tot 20% van de totale oppervlakte. Met buitenlandse hulp is het Chinese bosareaal sinds 1997 weer behoorlijk toegenomen. Sinds kort is de houtkap van bijzondere boomsoorten verboden.

De visserij wordt intensief beoefend op de meeste binnenwateren (ca. 5 miljoen ha) en langs nagenoeg de hele kust.
Ook veel huishoudens houden zich bezig met het kweken van vis en/of met visvangst.

Mijnbouw en energievoorziening
MIJNBOUW


Als ťťn van de weinige landen ter wereld beschikt China over alle voorkomende typen mineralen in de wereld, die trouwens allemaal staatsbezit zijn. Zowel staatsbedrijven als privťbedrijven betalen een vast percentage over de jaarlijkse inkomsten, in ruil voor het mogen exploiteren en exploreren van de minerale rijkdommen.
Wat de voorraden delfstoffen betreft, heeft China de grootste reserve ter wereld. Zo wordt de reserve aan kolen in China geschat op meer dan ťťn biljoen ton, hoewel de kwaliteit in vele streken veel te wensen overlaat. Op dit moment wordt nog ongeveer driekwart van de binnenlandse energiebehoefte door kolen gedekt. De belangrijkste kolencentra liggen in de provincies Hebei, Shanxi, Shandong, Jilin en Anhui; de totale productie bedroeg in 1994 1212 miljoen ton, waardoor China tot de grootste drie kolen producerende landen ter wereld behoorde.
Grote voorraden ijzererts bevinden zich o.a. in de provincies Shanxi, Hebei en Shandong. De reserves worden geschat op 496 miljard ton. Sinds 1996 is China de grootste producent van ruw staal ter wereld. Het grote probleem is echter dat de ijzerertsreserves van lage kwaliteit zijn, waardoor ook het geproduceerde ijzer en staal van slechte kwaliteit is, en nauwelijks van waarde voor d export. Het is dan ook niet vreemd dat er jaarlijks nog miljoenen tonnen aan diverse soorten staal geÔmporteerd moeten worden. Om de productie te verbeteren en te optimaliseren worden de vele kleine ijzer- en staalfabrieken gesloten en is het uiteindelijk de bedoeling om te komen tot maar zes grote conglomeraten. Zij moeten op de internationale markt gaan opereren en gaan concurreren met Zuidoost-Aziatische en westerse staalbedrijven.
Voor o.a. wolfraam, antimoon, titanium, tantalium en zware fluoriet wordt China geacht de grootste reserves ter wereld te bezitten. De exploitatie van niet-ijzerhoudende metalen blijkt echter moeilijk, gezien de grote hoeveelheden die hiervan moesten worden ingevoerd in de tweede helft van de jaren zeventig (o.a. koper, aluminium, nikkel en lood). China is een belangrijke producent en exporteur van titanium, maar ook van zeldzame metalen als vanadium, germanium, gallium en polykristallijne siliconen.
In 1994 bedroeg de productie van ruwe aardolie 148 miljoen ton. De offshore-winning in de Golf van Bohai in de buurt van Tianjin, waar al in 1975 olie werd gewonnen, blijkt bescheiden van omvang. Schattingen over aardoliereserves zijn lopen zeer uiteen. Men gaat uit van een vastelandreserve van vele miljarden tonnen en een even grote reserve voor de kust. De tot nog toe geproduceerde aardolie bevat een hoog gehalte aan paraffine of was, wat de winning en raffinage een kostbare zaak maakt. De petrochemische industrie is zeer belangrijk voor China, zowel voor de staatskas als voor de leveranties aan veel industrietakken. Op dit moment kan men de binnenlandse vraag niet aan en is daardoor gedwongen om veel petrochemische producten te importeren.
Aardgasvelden bevinden zich bij Kanton (Guangzhou), Shanghai en in de provincie Sichuan, maar erg veel wordt er niet geproduceerd. De gasproductie vertoonde in 1979 een piek, waarna de winning tot 1984 met 15% daalde. Men schatte toen dat het aardgasveld met 20% was afgenomen. De meeste winning vindt plaats in Sichuan en in totaal bedraagt de aardgasvoorraad ca. 400 biljoen kubieke meter.
Verder wordt tin, molybdeen, mangaan, lood en zink en bauxiet gewonnen. De Chinese bodem bevat ook aanzienlijke hoeveelheden goud, platina, nikkel, titaan, grafiet, fosfor, vloeispaat en kwik. Daarnaast zijn asbest, zwavel, zout en fosfaat van enige betekenis.

ENERGIEVOORZIENING
Door de snelle economische groei in China zal het energieverbruik in de komende decennia in een hoog tempo toenemen. In 2001 werd 1,21 miljard ton SCE (Standard Coal Equivalent) energie worden geproduceerd. Steenkool droeg daaraan bij met 68%, aardolie 20,2%, aardgas 3,4% en waterkracht 8,4%.
Het energieverbruik bedroeg 1,32 miljard ton SCE, waarvan 675 steenkool, 23,5% aardolie, 2,5% aardgas en 6,9% waterkracht.
De energiesector staat grotendeels onder controle van staatsbedrijven. In het tiende vijfjarenplan (2001-2005) wil China zijn energievoorziening reorganiseren. Men is van plan om vůůr eind 2005 het aandeel van steenkool in niet-duurzame energie met 3,9% te verlagen. Het aandeel van aardgas en waterkracht moet dan met 5,6% verhoogd zijn.
De olie- en aardgasreserves zijn op dit moment niet voldoende om de binnenlandse vraag te dekken en olie en aardgas worden steeds meer geÔmporteerd.

Waterkrachtcentrale China

Voor wat betreft windenergie zijn er in het tiende vijfjarenplan weinig concrete plannen opgenomen. Eind 2001 had China 27 windenergiecentrales, goed voor een geÔnstalleerd vermogen van bijna 400.000 kW.
Zonne-energie lijkt meer kansen te hebben, met name in het westen van het land. Men is van plan om daar meer dan 200 miljoen dollar te investeren. Het zonneenergiegebruik is de laatste vijf jaar gemiddeld met 30% per jaar gestegen.
Waterkracht is in de verre toekomst de meest veelbelovende manier om niet meer van steenkool afhankelijk hoeven te zijn. China heeft een zeer groot potentieel en het streven is om een kwart van de totale energiebehoefte door waterkracht op te wekken.

Industrie China

Na 1958 zijn geen officiŽle cijfers gepubliceerd, maar uit incidentele gegevens en indexcijfers die af en toe zijn verstrekt, kan worden afgeleid dat grote vooruitgang is geboekt.
Net als in de landbouw hebben in de industrie hervormingen plaatsgevonden. Doordat sinds de invoering van het contractsysteem met minder mensen meer wordt geproduceerd, dreigde op het Chinese platteland een zeer grote werkloosheid te ontstaan. Vestiging van industriŽle bedrijven in agrarische gebieden kon hier een oplossing bieden. Sinds 1978 zijn bijna 50 miljoen Chinese boeren tewerkgesteld in plattelandsbedrijven en in toeleveringsbedrijven voor de stedelijke industrie. In gebieden rond de grote steden, zoals Beijing, werkt 80% van de plattelandsbevolking al buiten de landbouwsector.
De huidige politiek is gericht op het scheppen van een nieuwe klasse van ondernemers, handelaren en managers. Zo zijn in de loop van de jaren tachtig de mogelijkheden voor individuele ondernemers om een eigen bedrijf op het platteland te beginnen of om een bestaand collectief bedrijf over te nemen aanzienlijk toegenomen. De hervormingen zijn er verder op gericht de reeds bestaande rurale industriŽle bedrijven te verzelfstandigen.
De instelling van de Speciale Economische Zones (SEZ's) waarin geŽxperimenteerd wordt met nieuwe managementtechnieken, marktverhoudingen en arbeidsrelaties, is te beschouwen als een onderdeel van de open-deurpolitiek. De SEZ's moeten buitenlandse investeringen aantrekken voor exportgerichte technologisch hoogwaardige industrieŽn. Weliswaar is een aantal vormen van liberalisering van de Chinese economische betrekkingen met het buitenland doorgevoerd, deze gaan echter samen met de handhaving en soms versterking van een protectionistische politiek die gericht is op de ontwikkeling en modernisering van de eigen handel en industrie.
In 1994 was het aandeel van de Chinese industrie in het nationaal inkomen beduidend groter dan dat van de landbouw (47% resp. 21% van het nationaal inkomen). Bovendien overtreft de totale waarde van de door de plattelandsindustrie voortgebrachte productie die van het agrarisch bedrijf. Wel werkte in 1993 nog steeds een groot aandeel van de werkbevolking in de landbouw: 61%, terwijl ca. 18% in de industrie en 21% in de andere sectoren werkzaam was.
De decentralisatie van industriŽle complexen begon al lang vůůr de plattelandshervormingen. Deels is dit geschied om het transportsysteem te ontlasten, deels uit strategische overwegingen. Bij de gedecentraliseerde industrialisatie op provincie- en districtsniveau werd eveneens getracht de bedrijfsgrootte aan te passen aan lokale omstandigheden, waarbij werd gelet op aanwezige grondstoffen, technologie en kennis. Zo is bekend dat in 1976 de helft van de industriŽle productie afkomstig was van betrekkelijk kleine bedrijven; voor de elektriciteits- en kolenproductie bedroeg dit aandeel een derde, voor kunstmest 70% en voor cement 60% van de totale productie.
 

TRANSPORTMIDDELENINDUSTRIE
AUTO-INDUSTRIE

 Het aantal geproduceerde voertuigen in China zelf bedroeg in 2002 3,25 miljoen stuks (verwachting 2003: 3,9 miljoen). De Chinese auto-industrie staat in AziŽ, na Japan op de tweede plaats op de ranglijst van belangrijkste personenwagenproducenten.Shanghai Automotive Industry
Volkswagen beheerst de markt met 40%, gevolgd door Peugeot-CitroŽn, Daihatsu, Honda en General Motors. De belangrijkste Chinese autofabrikanten zijn First Automotive Work, Shanghai Automotive Industry en Dongfeng Motor.
Er zijn 6,3 autoís op 1000 mensen, en daarmee scoort China de laagste autodichtheid in AziŽ.
In de Chinese auto-industrie werken meer dan 1,5 miljoen werknemers, waarvan ca. 730.000 in de sector auto-onderdelen.

VLIEGTUIGBOUW EN RUIMTEVAART
China is een belangrijke markt voor internationale vliegtuigbouwers. Diverse internationale vliegtuigproducenten zijn al in China gevestigd voor de productie van vliegtuigonderdelen.
De ruimtevaart is een prioriteitssector van de overheid en de China Aerospace Industry Corporation is verantwoordelijk voor de sector. China hecht veel waarde aan internationale samenwerking en er bestaan op dit moment veel contacten en samenwerkingsvormen tussen China en de Verenigde Staten, AustraliŽ, Japan en West-Europa.

SCHEEPSBOUW
De scheepsbouw is met meer dan 2000 scheepswerven een belangrijke sector voor de export. Zes procent van de productie wordt naar het buitenland verkocht en met de bouw van ca. 4,5 miljoen ton in 2002, staat China na Zuid-Korea en Japan op de derde plaats van de wereldranglijst. Dankzij de buitenlandse investeringen worden de scheepswerven steeds moderner en efficiŽnter.
De middelgrote en grote scheepswerven liggen vooral in de provincies Jiangsu, Shanghai, Guangdong en Shandong.

HANDEL
In 2002 importeerde China voor $295 miljard dollar en exporteerde het voor $325 miljard dollar. De verandering in de importstructuur ten gevolge van de hervormingen leidde tot twee keer toe, tot een explosieve groei van de import uit ontwikkelde industrielanden (m.n. duurzame consumptieartikelen), wat voor grote tekorten op de Chinese betalingsbalans zorgde. Inmiddels vertoont deze een overschot van $30,4 miljard dollar. Wat de export betreft wordt er het meeste geld verdiend met de export van machines en textiel. De buitenlandse handel is vooral een zaak van de kustprovincies, met als koploper de provincie Guangdong.
Tot voor kort waren het vooral de grote staatsbedrijven die de toon zetten in Chinaís buitenlandse handel. Tegenwoordig zijn het vooral de dochterondernemingen van buitenlandse bedrijven die hun aandeel jaarlijks vergroten. Zij namen in 2002 meer dan de helft van Chinaís totale buitenlandse handel voor hun rekening. In de toekomst zullen steeds meer buitenlandse bedrijven vanwege de goedkope arbeidskrachten in China neerstrijken.
De belangrijkste handelspartners aan de Chinese grens zijn Rusland, MongoliŽ, Vietnam en Noord-Korea. Naar deze landen worden vooral industriŽle eindproducten geŽxporteerd; ingevoerd worden vooral grondstoffen.

Handel met Nederland
Sinds de jaren zeventig is de handel tussen China en Nederland explosief gegroeid. Zo steeg de Nederlandse invoerwaarde uit China tussen 1995 en 2002 van 1,6 miljard euro tot 8,77 miljard euro. De Nederlandse uitvoer steeg in dezelfde periode gering, van 0,6 miljard euro tot 1,5 miljard euro. Hierdoor is het handelstekort met China in korte tijd sterk opgelopen.
Circa driekwart van de Chinese export naar Nederland bestaat uit fabrikaten, machines, kleding en aanverwante artikelen. De Nederlandse invoerwaarde van chemische producten, diverse gefabriceerde goederen en schoeisel nam in 2002 af.
Door de dierenziektes die de afgelopen jaren Nederland geteisterd hebben, stagneerde de export van vlees- en zuivelproducten. Positieve bijdragen kwamen van chemische producten, fabrikaten, machines en vervoersmiddelen.


Het Chinese handelsoverschot bereikte in 2005 een recordbedrag van 101,9 miljard dollar, drie keer zoveel als in 2004. De Chinese export steeg met meer dan 28% naar een volume van 762 miljard dollar.
De belangrijkste handelspartner van China bleef de Europese Unie, gevolgd door de Verenigde Staten.

Chinese inkomens 61 keer zo hoog in 35 jaar
Sinds de invoering van de opendeur-politiek in 1978 is niet alleen China's economie stormachtig gegroeid, maar ook het gemiddelde inkomen van zijn inwoners. Volgens het nationale statistiekbureau bedraagt in 2012 het gemiddelde inkomen 24.565 yuan per jaar (2.947 euro).
Stadsbewoners lijken meer te hebben geprofiteerd van loonstijgingen dan inwoners van het platteland. Het gemiddelde inkomen op het platteland is in 35 jaar 58 keer zoveel geworden; gemiddeld 7.917 yuan (950 euro).

Meer koopkracht, maar niet 61 keer zoveel
Dat betekent dat de gemiddelde lonen sneller zijn gestegen dan de jaarlijkse groei van het bruto nationaal product. Maar dat betekent natuurlijk niet dat de gemiddelde Chinees 61 keer zo veel kan kopen. Ook de prijzen zijn gestegen, met name die van huisvesting. De belastingdruk is groter geworden; de inkomens mogen dan 61 keer zijn vermenigvuldigd, de belastingen zijn in dezelfde periode 104 keer vermenigvuldigd.
Bovendien zeggen de gemiddeldes niets over de verdeling van de groei. De inkomensverdeling in China is de afgelopen decennia onevenwichtiger geworden.

Bronnen:
China
Cambium, 1998
Landenweb.nl
China
Informatie Verre Reizen, 2001

Harper, D. / China
Kosmos-Z&K, 2002

Jansen,I. / China
Gottmer/Becht, 2000


Knowles, C. / China
Van Reemst, 2002

MacDonald, G. / China
Kosmos-Z&K, 1998

Eijck, F.
Reishandboek China
Elmar, 1996

Floor, H. / China
Stichting Teleac, 1988

Print

Download alle hoofdstukken in ťťn PDF file